Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

valsch te beoordeelen. Jij, kalme, gemoedelijke verstandsmensch kunt je er volstrekt geen begrip van vormen, hoe vlinderachtig een kunstenaarsnatuur is aangelegd, en hier in je afzondering heb je het verleerd, hoe vrij en amusant de menschheid in de groote wereld verkeert!"

„Dat is het juist! Ook Erika kent dien toon niet en houdt je gedrag voor trouwe, oprechte liefde 1"

„Heeft ze je dat beleden? — Neen? — Nu, beeld het je dan ook niet in. Welke aanleiding heb ik tegenover haar daartoe gegeven? Mijns bedunkens heb ik nog nooit met een vrouwelijk wezen zoo absoluut nuchter en vertrouwelijk verkeerd, als met je cousine. Dat ik ze mijn muze noemde — en haar wellicht — hoor je wel? — wellicht gekust zou hebben, indien het vogeltje maar niet zoo preutsch was weggefladderd, is toch volstrekt niet in de rubriek „hoofd op hol brengen" te rangschikken! Gewoonlijk liep ons onderhoud uitsluitend over muziek."

„Heb je het in hare schitterende oogen gelezen, welk een diepen indruk je gemaakt hebt, hoe ten volle en geheel zij je haar hart geschonken heeft?"

Joël haalde glimlachende de schouders op. „Of ik haar bemin — wat gaat het jou aan? Wanneer de kleine het lot van zoovele andere meisjes deelt en mij tot het voorwerp harer dweperij maakt, is dat mijn schuld? De jeugd eischt haar recht, en een meisjeshart zonder droomen en tranen zou als een bloem zonder geur zijn."

Wigand was zeer bleek. Hij staarde over den spreker in de grauwe ruimte. „En voel je zelf dan niets, volstrekt niets voor Erika?" vroeg hij gedrukt.

Joël liep ongeduldig op en neder. „Onzin, wat moet ik voelen? Liefde soms?" — hij lachte flauw, „de kleine is een allerliefst, frisch, braaf kind, dat gewis eenmaal een voortreffelijke gade en moeder zal worden, maar om in mijn hart de vlammen van een werkelijken hartstocht te ontsteken, zijn er toch, bij God, nog heel

Sluiten