Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar hand vallen. Een roode rozeknop, — zijn laatste, heimlijke afscheidsgroet.

Hij heeft hem al te onstuimig in haar rechterhand gedrukt, een scherpe doorn heeft de huid gekwetst, een paar roode bloeddroppels rollen langzaam over de teedere vingers. Zij geeft er niet om ; als in plotselingen, diepinnigen hartstocht drukt zij de roos tegen de lippen.

Achter zich verneemt zij eenig gedruisch, — zóó kraken alleen Wigands laarzen.

Zij ontstelt even, verbergt de hand haastig weder in den doek en ziet niet om. Haar gelaat is naar de

heide gekeerd.

Je komt te laat, Wigand," zeide zij zacht.

„Ja, ik kom te laat."

Nu ziet zij hem ontsteld aan. Zijn stem klinkt zonderling en zijn gelaat ziet er kleurloos uit, als bij een zieke.

„Wat heb je, Wigand?"

Hij ziet haar in de oogen, lang, vorschend, met somberen blik. „Wat ik heb? Twee vuisten heb ik, Erika, sterk en hard als ijzer en toch nog te onmachtig, om mijn liefste tot steun en hoede te zijn.

„Wat bedoel je, Joël?"

Hij lacht bitter, hij maakt een beweging met de hand, als stootte hij een onzichtbaren tegenstander vol afkeer van zich, draait zich snel om en gaat heen.

Wat kwelt hem ? Ook de volgende dagen schijnt hij Erika zonderling veranderd toe. Somber vóór zich uitziende, kort van stof, verstrooid.

Zijn blik vorscht en zoekt in haar gelaat. Eenmaal stoot hij er heftig tusschen de tanden door uit: „Ben je ziek, Erika? Je ziet er zoo bleek uit!"

Als zij hem lachend verzekert, dat zij zich volmaakt wel gevoelt, speelt er een trek van ongeloof om zijne lippen. Naar het uiterlijk te oordeelen is hij zieker dan zij.

Wat scheelt hem?

Het jonge meisje had geen tijd, om daarover na te

Sluiten