Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vruchten rijpten, de herfst weefde zijne draden door de lucht en de heide lag rood, alsof zijn hartebloed over haar gesprenkeld was.

Erika keek met vochtige oogen naar den hemel op, waar de trekvogels in de eerste, lokkende zwermen rondvlogen.

„Mocht zij hen kunnen volgen!" — Vurig, brandend verlangen naar de uitgestrekte, verwijderde wereld, dreigde haar menigmaal als een verterende ziekte te overvallen.

Slechts eenmaal met zwaluwenwieken de blauwe lucht doorklieven, — slechts één, één enkelen blik in een venster der residentie werpen!

Zottin! wat zocht zij daar? — Joel is vrij en gelukkig! Denkt een vogeltje, dat na een pijnlijke rust jubelend de vleugels kan uitslaan, nog wel aan den kerker terug? — Maanden waren sedert Joëls vertrek verloopen, geen bericht, geen regel schrift, geen groet had haar bereikt.

En desniettemin — het groenblijvend plantje der hoop wilde ook in haar hart niet verwelken en dor worden, hare tranen bevochtigden het. — — —

De bladeren dwarrelden ter aarde, de eerste rijp bedekte de heide en de herfststorm jaagde met schril geklaag over het vlakke land, als een wanhopige vrouw, die naar het verloren geluk der lente zoekt!

Nu zal spoedig een wit lijkkleed over Ellerndörp liggen, dat nog het laatste overblijfsel van leven en bedrijvigheid zal verstikken.

Duizenden witte vlokken bouwen een lagen en desniettegenstaande schier onoverkomelijken muur tusschen het huis op de heide en de verwijderde, bonte buitenwereld, welke nu eerst begint te ademen, de bestovene oogen frisch uitwascht, de zotskap over de ooren trekt en het carnaval tegemoet danst!

In Ellerndörp blijft het stil. Rouwsluiers waaien als belichaamde doodsklachten er over heen; — ernstige

9

Sluiten