Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen, die geen wenschen koesteren, wachten op een lente, welke zelfs de graven met lieflijke bloesems van nieuwe hoop siert.

Geen wenschen koesteren? — Neen, Erika is niet zonder wenschen en begeeren. Geene feesten, geene vermaken, geen vroolijk leven lokt haar naar buiten, alleen het vurig verlangen van een bloedend hart, dat bericht begeert van hem, die er, in den onzinnigen strijd tegen het gezond verstand, zoo oneindig lief aan is geworden.

En daar zij haar leed aan den stormwind heeft geklaagd, heeft deze al hare zuchten en tranen op zijne rustelooze vleugelen genomen en ze gedragen naar hem, wien zij gegolden hebben. Er was iets onverwachts, onuitsprekelijk aangenaams geschied.

De deur kraakte zacht op de scharnieren, Wigand trad binnen. Hij zag er vreemd uit, bleek en verstoord. Hij stak haar zwijgend een brief toe en zijn blik rustte gloeiend als in folterenden angst op haar gelaat.

Hoe bleek als marmer werd dat aanvallige gezicht, hoe snel schoot het bloed weder in de wangen. — Het begon weder te gloeien, als de kelk eener roos, waarop de zon hare stralen schiet.

„Van Joel!" — stamelde zij.

Hij knikte, — hij drukte de tanden in de lip, als wilde zijn ziel in wreede smart een kreet slaken. Hij wendde zich zwijgend om en vertrok.

Erika evenwel was nauwelijks in staat, met hare bevende vingers de enveloppe te openen.

Zij staarde op het adres, op de haastig met lange halen voorziene letters. „Van hem! — van hem —"

Zij zette zich als in een droom verkeerende neder, haalde diep adem en drukte het stijve papier tegen het gloeiende voorhoofd.

Daarop overviel haar als een bedwelming van verrukking. Zij vouwde den brief met brandend ongeduld open.

Een zachte geur waaide haar tegen.

Sluiten