Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ners tot op die hoogte verstaat, dat men van hen verneemt, wat men weten wil.

En toch zet hem de ijdelheid en zelfzucht aan, nog een poging te wagen, en aan gene zijde van den grooten heirweg naar paarlen van Grieksche muziek te graven.

Moet hij zich zoo belachelijk maken, dat hij van geen enkele promenade in een „door roovers onveiligen" streek kan vertellen? En moet hij werkelijk zoo geheel alle hoop opgeven, ergens een paar bruikbare melodieën te vinden, welke de groote schaar van navorschers nog niet ontdekte?

Als hij zijn avondmaaltijd bestelt, neemt hij met den Padi, die hem bedient, de proef of hij verstaan wordt. Die Padi is een schrandere, blauwoogige kleine knaap, die met ware goddelijke fierheid de kennis der Engelsche taal, welke hij gedurende een veeljarige dienstbaarheid heeft verworven, toepast. Tusschendoor een stukje Italiaansch of Fransch en het onderhoud vlot tot wederzijdsch genoegen zóó, dat men elkander volkomen verstaat.

„Zijn er hier in Patras Duitschers, Padi?"

„O veel, zeer veel, — kijk, Afèndi — zoo veel!" en de gevraagde spreidt alle tien vingers uit teneinde rekenkunstige hulp te verleenen.

„Waar wonen zij?"

„Heet Goedland, Afendi — ginds op berg boven — goede Kirii en ka las Kïrades\n

„In Goedland? Wat is-dat?"

Padi's wetenschap hokt, een vloed van Grieksche woorden geeft een niet begrepen uitkomst.

„Wie van de Duitschers woont hier in de stad?"

De kleine bediende krabt even den zwarten kroeskop. Daarop beginnen de oogjes plotseling te schitteren. „Hamburger Consul! — van Duitschen Keizer en Kirii Bismarck!"

„Aha! wij schieten op. Dus een Duitsche Consul. Is het een vriendelijke Mijnheer?"

Sluiten