Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vasthouden en boeien, zoodat zij hem, den heer en meester voortaan onderdanig zijn moeten.

Goedland herbergde een beminnelijken gast, die, vol betooverende luim en vroolijkheid, zoovele aangename uren in het leven riep, dat hij stormenderhand de harten van zijn charmanten gastheer en gastvrouw veroverde.

Wat keuvelde men amusant en opwekkend over dingen, welke de reiziger uit het lieve, Duitsche vaderland kon mededeelen, en hoe verstond Joel de kunst, door zijne verslagen te boeien, als hij zich de moeite gaf, om onderhoudend en innemend te zijn.

„Wijfje," — zeide de Heer Clausz glimlachende, „doet het uiterlijk van onzen lieven jongen gast je niet aan een persoonlijkheid denken, die geheimzinnig en bekoorlijk eens door ons huis zweefde, als een lentezwaluw, die korten tijd op een vreemd dak uitrust?"

De aangesprokene vestigde de zachte oogen seconden lang op het gelaat van haar echtgenoot.

Plotseling knikte zij levendig, als ging haar eensklaps een licht op.

„Aan Daphne!" riep zij glimlachende.

„Juist wijfje, aan Daphne!"

Joël hief luisterende het hoofd op. Hij had zijn avontuur van het Dionysus-theater in den maalstroom van de gebeurtenissen der laatste dagen bijna vergeten. Thans schoot het hem plotseling als een bliksemstraal weder te binnen.

„Daphne? — De naam van die allerbekoorlijkste godin schijnt wel met Goedland vereenzelvigd te zijn!" zeide hij lachende; „spreekt gij ook van een „Mavro"Daphne, of van een aardsche, sterfelijke, niet van een Daphne van druiven-, maar van menschenbloed?"

„In dit geval bedoelden wij een menschelijke Daphne, die evenwel ten volle in staat is, voor menigen sterveling een godin te worden."

„Hoort, hoort! Ik verzoek u dringend, mij niet in

Sluiten