Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die zijn van zeer verschillenden aard. De fierheid, welke zich voor geen vreemden wil wenscht te buigen, het egoïsme, dat niet deelen, de lafhartigheid, welke niet lijden, de genotzucht, welke niet ontberen, en de omzichtigheid, welke zich niet tot slavin van hare eigene zwakheid maken wil!"

„Al deze wapenen kunnen dan alleen de overwinning behalen, als de conveniëntie ze hanteert. Wat blijft er evenwel van fierheid, egoisme, lafhartigheid, genotzucht en omzichtigheid over, als de ware, groote, alles overwinnende liefde komt?"

„Er zijn vrouwen, aan wie ik de vatbaarheid, werkelijk diep en innig te beminnen, ontzeg!"

„Aan welke soort van vrouwen?"

„Aan dezulken, die haar hart op het afgodsaltaar harer eigene heerlijkheid zoo volkomen tot kolen hebben verbrand, dat het voor geen eigendunkelijke, levendige aandoening meer vatbaar is!"

„Rekent gij Daphne onder die wandelende lijken?"

„Ja en neen. Ik heb haar te vluchtig leeren kennen, om een oordeel te vellen, maar ik kreeg tegenover haar de overtuiging, een vrouw vóór oogen te hebben, die gewoon en geneigd is, alleen voor zichzelve te leven, alleen te ontvangen, zonder iets terug te geven. Ongetwijfeld behoort zij tot de oneindig verwende menschenkinderen, die de wereld eerst zelve tot de door wierook verstikte offers harer huldigingen maakt, om hen daarna des te scherper te veroordeelen! En zulke buitengewone menschen, wie al hun geluk meestal eenvoudig ongelukkig maakt, noemt men in de algemeen geldende beteekenis: „van God begenadigd!

Joel hief verbaasd het hoofd op. „Welk een eigenaardige zienswijze! Ieder mensch, die door een of ander talent uitmunt en — door hetzelve — tot roem en eer geraakt, is door dit feit reeds gelukkig en daarom een van God begenadigde!"

„Roem en eer! — Dat is juist de hoofdzaak. Veil is slechts klatergoud, dat der wereld de oogen verblindt,

Sluiten