Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

valt hem volstrekt niet in te vertellen, hoe hij aan de verwonderlijke vaardigheid, viool te spelen, gekomen is.

Klipfel herinnert zich, dat zij, die hem vergezelden, eens ietwat minachtend opgemerkt hadden: „In Spiro Malia schuilt een groot gedeelte Zigeunerbloed van moederszijde. Naar haar aardt hij ook en trok liever met de speellui rond, dan een ordentelijk handwerk te leeren. Wegens de zwarte Totaska, zijne moeder, heeft hem Dimitros ook zijn Chariklia niet gegeven — en dat was het begin van het einde. Toen is de knaap dol geworden en heeft alleen nog kunnen drinken en spelen."

Daarom hadden zij hem ook zeker, zonder een woord om hem van besluit te doen veranderen, in Goedland achtergelaten.

Dat hij speelde en wat hij speelde, daarvan scheen de zonderlinge drinker nauwelijks eenig besef te hebben. Tevergeefs had Joël hem dikwijls gestoord, hem bezworen en gesmeekt: „Speel die melodie nog eens! herhaal ze!" — Dan had hij hem eenvoudig met lodderigen blik aangezien, als keek hij in de lucht, en had de hand van den stoorder wrevelig van zijn arm gestooten.

Als Eikhoff den bruinen gezel den volgenden dag, terwijl hij werkte, één der melodieën voorfloot en vroeg: „Ken je dit stuk?" dan schudde hij meestal het hoofd. „Neen, Kirie, ik ken het niet, maar het is mooi." De gedachte, welke Joël aanvankelijk zoo dikwijls in zijn binnenste had overwogen, „of hij Spiro ook moest overhalen, hem naar Berlijn te volgen," gaf hij spoedig als een onmogelijkheid op.

Men maakt eerder de duizend fijne haarworteitjes van een boom uit de aarde los, dan dat men een menschenplant als Spiro Malia uit den vaderlijken grond in een vreemde, niet begrepen wereld kan overplanten. Hij had hem eenmaal gevraagd, of hij hem ook naar Duitschland, naar dat schoone, groote land, waar Keizer Wilhelm en Bismarck wonen, volgen wilde ?

Sluiten