Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het oog van den gevraagde schemert, alsof hij zich flauw iets herinnert. Hij heeft eens van die mannen hooren spreken, toen men in Athene de bruiloft van den zoon des Konings heeft gevierd, maar van Duitschland zelf weet hij niets, wil er ook volstrekt niets van weten. Hij had toch ook van Montenegro niets meer willen hooren, sedert hij de gloeiende Mavrodaphne heeft geproefd. Er bestaat voor hem geen wereld buiten Griekenland, geen Paradijs naast Goedland.

Wat hij van het leven als het hoogste verlangt, had hij gevonden. Sinds zijn hart is gebroken en gestorven, is hem alleen nog zijn keel overgebleven. Haar heeft hij tot de godheid gemaakt, waaraan hij lichaam en ziel heeft verpand, haar offert hij zichzelf.

Naar Duitschland ? Voor al de schatten der wereld niet!

Deze gedachte grenst in het enge begripsvermogen van den eilandbewoner aan waanzinnigheid.

Hij acht het daarom ook nauwelijks noodzakelijk er op te antwoorden.

Een kort, schier woedend aanstaren, een ophalen der schouders en zwijgend den rug toedraaien.

„Heb je het verstaan, Spiro Malia? Je zult ook in Duitschland zooveel Mavrodaphne drinken, als je maar wilt, je zult gekleed worden als een Prins en zooveel drachmen in den zak hebben als een Dimarchos!

In plaats van eenig antwoord spuwt de aangesprokene met kracht op den grond en hakt zoo geweldig in de aarde van den wijnberg, als moest hij aan een inwendigen toorn krachtdadig lucht geven.

„Je wilt niet, Spiro Malia?"

„Neen, Afèndi!"

„En waarom niet?"

„Vraag de wijnstokken hier, waarom zij de voeten niet opheffen en wegloopen!"

„Omdat zij het niet kunnen, zonderlinge man!"

„Dan weet gij het. Spiro Malia kan het ook niet!

„Ben je vastgegroeid?"

De droomerige oogen beginnen te glinsteren.

Sluiten