Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trof hem te midden van zijn geluksroes een brief van Erika.

Ontzettende gedachte, zich hier tusschen bloeiende rozen en onder den reeds bijna al te heet vlammenden blauwen hemel het noordelijke sneeuwlandschap van Ellerndörp voor te stellen, dat zoo stil is als het graf!

Joël huivert. Hij heeft een gevoel, alsof' hem een ijskoude wind van de vreeselijkste verveling uit die zwartgerande velletjes postpapier tegenwaait! Hij ziet in den geest het eenzame landhuis liggen, rondom de witglinsterende, zich tot in het oneindige uitstrekkende heide, — geen mensch, geen rijtuig, geen ander levend wezen wijd en zijd, dan de zwermen kraaien, welke zwaarmoedig wegzweven, om met heesch geschreeuw het vonnis der Norne te verkondigen, welke dit land tot vergetelheid heeft gedoemd.

Welk een verschil tusschen daarginds en hier!

Zelfs het egoïstische hart van Joël voelt op dit oogenblik oprecht medelijden met het jonge menschenleven,1 dat in die geestdoodende omgeving moet wegkwijnen en vergaan!

Het is hem onbegrijpelijk, dat Erika het verdraagt! Moet zij geestelijk niet volkomen te gronde gaan ? Moet haar ziel niet van verdriet omkomen, als een beklagenswaardig plantje, dat geen verkwikkende dauw bevochtigt, dat geen enkel tochtje frisschen levensadem aanbrengt?

Nu ja, Erika is toch geen kunstenaarsziel, en de nuchtere, alledaagsche natuur verlangt zeker niet meer dan de allernoodzakelijkste middelen om te kunnen groeien. Dat is juist het hemelsbreed verschil tusschen hem en haar!

Joël, de heetbloedige, rusteloos naar hooger strevende man, hij, de kunstenaar van Gods genade, in wiens boezem duizend vlammen van ongeduldige wenschen, ideeën en begeerten flikkeren — en zij, het eenvoudige, bescheidene heidebloempje, waarvan niets zoover verwijderd en waaraan niets zoo vreemd is, dan een geniale

Sluiten