Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de met sneeuw bedekte eenzaamheid had geschreven, een gewaarwording, als stroomt hem daaruit een warme, met lentegeur vervulde bezieling tegen, als klopte door elk woord een zalig, in stil geluk verheerlijkt hart, waaraan noch de zoel geurende rozen van het Zuiden, noch al de pracht en heerlijkheid der bonte wereld ontbreken.

Waarom schrijft zij hem zoo geheimzinnig, dat een groot, onuitsprekelijk geluk haar gansche ziel vervult? — Wat kan haar zoo volkomen bevredigen en met hare hopelooze ballingschap verzoenen?

Klinken hare woorden niet als een met moeite ingehouden jubelkreet? Ademen hare mededeelingen niet de volkomenste tevredenheid, ja bijna een innig, overstroomend geluk?

Joel drukt onwillekeurig de tanden op elkander. Zou zij hem wellicht ter wille van een Wigand vergeten hebben?

Ter wille van een Wigand!! — Hij barst in een scherpen schaterlach uit bij de gedachte aan den stijven, blonden beer in het duffelsche wambuis! — Een man als Joel kan er niet aan denken, een zoo onbeduidend weegbree als de kleine Erika ernstig te begeeren; maar het kwetst zijn ijdelheid, dat men hem, hem, Joël Eikhoff, ter wille van een ander kan vergeten!

Hij is het gewoon en verlangt het, dat de meisjesharten in stil, hopeloos smachten naar hem wegkwijnen — en dit heidebloempje verstout zich, een neiging voor hem, als een afgedragen gewaad, af te leggen ?

Wacht maar, kleine — gij zult den componist der „Dorpslurley" wederzien en Wigand zal ervaren, dat het belachelijk is, zich tot een mededinger van een Joël Eikhoff te willen verheffen.

Vooreerst ergert hij er zich aan, en daarom zal hij zorg dragen, dat zijn moeder het kleine wijsneusje van het platte land uitnoodigt, als een van verrukking

14

Sluiten