Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie zou in staat zijn, dat groote, geheimzinnige raadsel op te lossen!

Wie zou in staat zijn de zon aan den hemel te doorgronden, het onbekende goddelijke licht, dat zelfs het duister van menschelijke blindheid verlicht, tot het oog van den kunstenaar paden en wegen wijst, welke anders geen aardsch verstand vermag te noemen!

Erika schreef en haar overvol, jong, gelukzalig hart stortte zich in den stroom der geestvervoering, zoo warm en innig, dat men het door elk woordje hoorde kloppen, en evenals eerst de geur aan een bloem de volle wijding der schoonheid geeft, zóó verheerlijkt de adem der ideaalste liefde, welke het gansche wezen der dichteres doorgloeide, ook de gestalten van hen, die haar geest schiep.

Daarin lag zeker de bekoorlijkheid, welke het eigenaardige aankleefde.

Zoolang het onder de rusteloos werkende pen van Erika ontstond, dacht zij niet aan de toekomst, maar uitsluitend aan het heden.

Het scheppen zelf was voor haar een bron van onuitsprekelijk geluk. Zij vond hare volle, innige bevrediging in de gestalten en vormen, in het ontdekken en uitdenken, in steeds volkomener samensmelten der afzonderlijke deelen tot een geheel.

Zóó ziet een moederoog het geliefde kind groeien en worden, zóó wordt het verrukt door elke geestesaandoening en denkt na over de vreugde van de ontwikkeling, niet van de voltooiing; de moeder bemint het kind, zooals zij het op het oogenblik aan het hart drukt, niet den man, die het eens zijn zal.

Maar de geesteskinderen worden gaandeweg volwassen, evenals de kinderen uit vleesch en bloed, beiden wacht het oogenblik, waarop zij de wereld intreden, waarop het hart van vader of moeder hooger klopt in de bange verwachting: „Wat zal er van worden? Hoe zal de weg zijn, welken de wil Gods en der menschen het banen zullen?"

Sluiten