Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zomer en herfst verliepen, weder woei er verwelkt loof ter aarde en dezen keer zag Erika vol innig verlangen den winter reikhalzend tegemoet en koesterde nog slechts een gloeienden wensch, weder eens onder menschen te verkeeren!

Het schemerde in de stille woonkamer. Alleen het blauwachtige vlammetje onder de theeketel gaf een onzeker schijnsel en de sigaar van Wigand gloeide van tijd tot tijd, als de edele, zoo goed verzorgde hand ze naar den mond bracht.

De dames hadden den arbeid laten rusten en na een korten blik naar buiten in de omschaduwde wereld, wendde Mevrouw Koltitz eensklaps het hoofd naar Landen en zeide, als onder den invloed van een plotseling, met geweld genomen besluit: „Wigand lief — er ligt mij reeds sinds eenigen tijd een vraag aan je zwaar op het hart! Heb je thans ook een oogenblikje tijd, om eens oprecht en grondig iets met me te bespreken ?"

De jonge man keek een weinig verrast op, evenals Erika, die onwillekeurig het kopje luisterend voorover boog.

„Natuurlijk heb ik tijd, tante! Als ik u verzoeken mag, beschik er over en over mij!"

Mevrouw Koltitz trok de zijden balletjes van het deksel der naaitafel zenuwachtig door de vingers en scheen naar een passend begin te zoeken, daarop haalde zij diep adem.

„Het loof verdort en de herfstwind giert over de heide, — hoe lang nog en de winter houdt zijn intocht weder bij ons. Ik denk aan de troostelooze, doodsche eenzaamheid van het verloopen jaar, en daar ik weet, dat het niet goed is, zich tegen de natuur te verzetten en het zich vroeger of later wreekt, als men de palmen aan ijs en sneeuw, het jonge menschenhart aan door de wereld vergeten eenzaamheid wil gewennen, is het mij een pijnlijke gedachte, jelui, beiden jongelieden, die recht en aanspraak op het leven hebben, weder in deze kloosterstilte ingekerkerd te zien!"

Sluiten