Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontzeggen, altijd ontzeggen! Zijn leven lang heeft hij niets anders gekend, dan altijd diep in de schaduw te staan, opdat de zonneglans de anderen des te voller en kwistiger treffe!

Zou hij dan nimmer, nimmermeer aan zichzelf mogen denken, moet hij eiken dief de deur van zijn tuin zelf openen, opdat men hem het eenige, zoo angstvallig opgekweekte roosje moedwillig afrukt en ontbladert?

Zijn roos! — Wie zegt hem, dat zij voor hem bloeien mag?

Is het dan waarlijk een geluk, zich een jong menschenhart met geweld toe te eigenen, een hart, dat met eiken slag een ander tegengloeit, dat alleen voor .dezen voelen en ervaren kan en natuurlijk elk vijandig geweld, dat zich daartusschen dringt, verafschuwen en haten moet? Neen, dat is geen geluk, dat is een zelfzuchtige waan, welke zich vóór de kooi van een gevangen vogeltje verbeeldt, dat zijn gezangen van verlangen smartklanken zijn van stil, tevreden geluk.

Neen, het is geen geluk.

Als een huivering rilt het koud door Wigands ledematen.

De gloed, welke zooeven hart en hersenen dreigde te verzengen, verflauwt en stort tot asch ineen, alleen een diep wee is nog de eenige gewaarwording, welke overblijft.

En daarop behaalt zijne trouwe, onzelfzuchtige liefde andermaal een schitterende overwinning. — Medelijden, warme, hartelijke deelneming vervullen zijn hart.

Zij bemint Joël, en God de Heer, die de menschenharten neigt als waterbeeken, die zal wellicht een wonder laten plaats grijpen, en ook in het wispelturig gemoed van den jongen man een verandering ten goede bewerken.

Zal hij het lot vooruitloopen en een bediller worden, dewijl zijn zelfzucht en gewelddadigheid een balk in eigene oogen zijn geworden?

Neen, hij zal zeker geen steen in den weg wentelen,

Sluiten