Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer de nevelmassa's zich verdeelen of als fladderende sluiers scheuren.

De storm giert, doet verdorde bladeren dwarrelend ■opstijgen en werpt ze den eenzamen wandelaar in het gezicht; kil, vochtig van den regen.

Rondom is het stil, — doodstil, alleen in de boomen ruischt en kraakt het, en de hofpoort klettert in het slot.

Men verneemt geen geluid van mensch en dier.

Alleen ginds nadert een donkere, spookachtige gedaante. De tred wordt gesmoord in den weeken grond, geen mantel fladdert en klappert in den wind, Wigand versmaadt dien bij zijn avondrondgang. Langzaam, in gedachten verzonken schrijdt hij voort, niet vermoedende, dat op de veranda, in de schaduw van den pijler, een slanke meisjesgestalte leunt, die met voorovergebogen kopje op hem nederziet.

Erika.

Haar blik omvat de gestalte van den jongen man, alsof zij hem voor de eerste maal aanschouwde. En juist schuift de maan, alsof zij haar liefderijk te hulp wil komen, haar vriendelijk gezicht door de wolken ■en beschijnt den eenzamen wandelaar met zilverlicht.

Erika ziet hem vóór zich in de duffelsche jas, waarmede zij den draak heeft gestoken, in de zware laarzen, welke zij vroeger zoo leelijk en belachelijk heeft gevonden.

Thans kwam er geen dergelijke gedachte in haar •op. Zij heeft alleen nog de gewaarwording, een hooge, krachtige mannengestalte te zien, zoo stevig en krachtig, -dat alle verzoeking en alle aanvechting der wereld niet in staat zijn ze aan het wankelen te brengen.

En daarop ziet zij in zijn gelaat.

Het maanlicht omgeeft het met een stralenkrans — of ligt het alleen in de oogen van de glurende, dat het haar voorkomt, dat er van het kalme, trouwe gelaat een schitteren uitgaat, even rein, even vlekkeloos helder als de ziel, welke achter dat voorhoofd woont?

Hij ziet er niet gelukkig, niet opgewekt uit, integen-

Sluiten