Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eikhoff glimlacht met het uiterlijk van den lieveling der vrouwen, die gewoon is te zegepralen.

„Bah, kleine onsterfelijke — Apollo zult gij vinden! en als ik voldoende geleerd heb in vrouwenoogen te lezen, dan ontvlucht gij hem dezen keer niet! — Een deel van u heb ik thans reeds veroverd, den laurier, waarin uw betooverde ziel woont!"

Het was, alsof de eigenaardige vrouw zijne gedachten uit de verte uit zijne oogen gelezen en begrepen had. Zij liet het preutsche afwenden en verschuilen achter den waaier varen, om haar blik lang en droomerig, met wijd opgespalkte oogen op hem te laten rusten. Zóó staart een ree betooverd en angstig in een schel licht, dat verblindend vóór haar flikkert.

Joel had veel te veel ervaring in zulke „voorpostenschermutselingen", om niet overtuigd te zijn, dat die oogopslag, dat „vastzuigen" van den blik zelfs vlijtig en met goed overleg vóór den spiegel ingestudeerd was, maar juist deze overtuiging spoorde hem aan, de schoone Sirene in den weg te treden.

Was het Daphne, dan was een nieuwe, pikante, kleine liefdesepisode op interessante wijze begonnen, — voor een echt Griekschen, van zonnegloed doortintelden en van liefde overvloeienden inhoud te zorgen, zou zijn werk zijn, en zij zou even prachtig gelukken, als reeds zoo menige andere.

Joëls blik dwaalde eensklaps af en trof Erika. Hij glimlachte, glimlachte over zichzelf en zijn wispelturig, verbazend groot hart.

Zooeven had hij naast de kleine onschuld van het land plaats genomen met het plan, haar een weinig het hof te maken en zich te verlustigen in den naïeven, machtigen indruk, welken een dergelijke triomf op een zoo onbedorven, onervaren kinderhart maken moest, en thans zit hij aan hare zijde en is met zijn gansche ziel onder den invloed der betoovering eener vreemde, kokette vrouw, volmaakt alsof de aardbodem de kleine Erika had verzwolgen. Hoe is hij toch op

Sluiten