Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ik. De oudere heeren schijnen, helaas! reeds aan opbreken te denken, hoe jammer, dat zij ons in ons interessant keuvelhoekje storen. — De „Dorpslurley" zal de gansche week wel op het repertoire blijven, ik hoop u daarin dus met dezelfde verrukking' nogmaals te hooren, als heden avond.

De jonge kunstenares streek de handschoenen over de slanke handen, haar blik trof met hartelijke vriendelijkheid de spreekster. „Ik zing, helaas! nog slechts twee avonden de partij van Marietje, dan leg ik die in „de keel" van de nieuwgeëngageerde alt."

„Waarom dat?"

»Ik verlaat het tooneej hier ter plaatse, Mejuffrouw."

„Gij verlaat ons? Mijn God, waarom dat?"

Een bittere, weemoedige trek plooide zich om de lippen der kunstenares. „Ik pas niet bij de toestanden hier, ik heb het te stil en teruggetrokken bij mijn moeder geleefd, ik heb geene geschenken aangenomen en er geene gegeven en de echte, warme bezieling voor de kunst is heden ten dage niet groot genoeg, om zich een positie te verzekeren. Ik had hier tegen al te veel onedele tegenstroomingen te kampen. — Gode zij dank, heb ik thans een engagement aan een hofschouwburg gekregen, waar de willekeur niet zoo heerschen kan, als in mijne tegenwoordige positie. Wij komen daarmede op het eerste thema van ons gesprek terug, — het publiek is niet zoo bedorven als het uitgemaakt wordt, het heeft nog het meest juiste en zuiverste gevoel, om van God begenadigde kunstenaars in het gewoel der valsche heiligen te ontdekken. En ik durf mij wel onder de door God begenadigden rekenen, want ik heb nooit de kunst ter wille van prozaïsche nevenbedoelingen ontheiligd! Dat ik het liefste, het beste gaf, wat God in mij heeft gelegd, heeft ook de groote menigte instinctmatig wel gevoeld en_ ontdekt. — Hoe scherp en onbarmhartig de critiek mij ook vervolgd heeft, het publiek liet geen invloed op zich uitoefenen en heeft mij uit eigene beweging

Sluiten