Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfbewust en fier aan den voet van het altaar nedergelegd, dat de wereld voor de Muze van den door God begenadigde opricht. Spiro Malia's hoofd versiert alleen het verwelkte blad, dat de ademtocht van den wind door de opene deur werpt.

Zijne melodieën zijn onsterfelijk geworden, en zoo lang zij zingen en weerklinken en de menschenharten in verrukking brengen, zal het de naam van Joel EikhofF zijn, welken verheerlijkende tongen noemen, doch voor Spiro Malia bouwt de wereld geen gedenkteeken, hij zal zijn leven lang noch goud noch lauweren oogsten, — en wanneer eens Griekenlands zon voor de laatste maal zijne brekende oogen heeft gekust, is Spiro Malia vergeten en zijn naam sterft weg, evenals de laatste toon van zijn viool.

HOOFDSTUK XVII.

De droschke hield in de Potsdammerstraat vóór het huis 309 stil. - Joel sprong eruit, wierp een vluchtigen blik op den imposanten voorgevel van het huis en betaalde den koetsier zeer mild. Daarop monsterde hij nog eenmaal het op een paleis gelijkende gebouw, dat godin Daphne tot haar aardschen Olympus verkozen had.

Erkers, balkons, loggia's, kwistig stukadoorwerk, verguld hekwerk, marmeren beelden — al de vereischten waren voorhanden, welke den „hoogsten comfort van den nieuwen tijd" reeds aan het uitwendige van een huis aanduiden.

Het was reeds volkomen duister en alleen het electrische licht wierp zijne witschelle stralen schitterend over het gebouw, alsof het in Joëls oogen met de schoonheid en de weelderigheid van zijne omgeving wilde pralen.

Op de eerste verdieping waren de gordijnen toe-

Sluiten