Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar, die daar rustte, heeft bedekt, ligt nog wanordelijk, zooals het is weggeslagen; een geopend boek vertoont zijne witte bladen.

Snel een blik er ingeworpen, wat heeft Mevrouw

Daphne gelezen ? n

Emerich Madach: „De tragedie van den mensch," vertaald door Alexander Fischer. Brrr! hoe verheven! Hij had de meesteres van deze geniale vertrekken op ietwat minder zware lectuur getaxeerd.

Een prachtig, kostbaar beeld, een moor in bonte, van goud glinsterende kleeding voorstellende, houdt in den hoek boven het rustbed de wacht en strekt den breeden vliegenwaaier over het kopje der schoone lezeres uit. Hij staart den vreemden indringer met doordringend glazige oogen aan en laat de tanden zien, alsof hij lachen — of ijverzuchtig toebijten wil. . .

Arme knaap, er klopt niet eens een hart in je borst en toch gun je je plaats, als geringste der slaven, aan geen ander.

Joël vat den roemer; hij brengt hem al hooger en hooger naar zijne lippen, de geur van den zeerzwaren, krachtigen wijn waait hem tegen. Is het de liefdedrank van een Isolde of het akelige vergif der Circe, dat hem in een moor, een duif — een kleinen vuurgeest

veranderen zal?

Waar hebben hare lippen het glas aangeraakt ? — Zijne polsen jagen, een demonische, prikkelende hartstocht doorgloeit hem. Zoo iets heeft Joël Eikhoff. de koele, oververzadigde lieveling der vrouwen nog nooit ondervonden. Het eigenaardige der omgeving, de buitengewone aanleiding, welke hem in deze salons brengt, de gedachte aan de schoone, verlokkende vrouw, welke hem sinds de voorstelling der Dorpslurley niet verlaten heeft, werken vereenigd op hem in en oefenen een bekoring van het geheimzinnig tooverachtige op hem uit, waaraan hij zich niet onttrekken kan.

Het is hem, als hoort hij eenig gedruisch in zijne

Sluiten