Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik lette daar vroeger niet op!"

„Dat gij mijne blikken der opmerking waardig achttet, is het begin der overwinning, welke op het veni en vidi volgen moet."

„Moet zij? Moet zij 'inderdaad'?" Zij nam een waaier als een Spiegel met zilveren steel, zooals hem eertijds zeker een Aspasia op het rustbed met bevallige handen heeft gebruikt en knipoogde plaagziek over den rand er van naar Joël. „Als een laurierboom juist van pas zijne groene armen opent, om de sidderende Daphne aan bovengenoemde blikken te ontrukken!"

„Gij weet, dat ik den laurier als vasal onderdanig aan mij maakte."

„Er bestaan liederen, welke van slaven en pages zingen, die hunne tirannen bedrogen, om voor de jonge koningin als redders te sterven."

„In dat geval was de arme koning steeds oud en leelijk en het hart der door hem uitverkorene jong en van liefde gloeiende. Telt gij mij ook reeds onder de uitgebrande kraters, welke geene vlammen meer doen ontstaan of flikkerende kunnen houden?

Zij barstte in lachen uit, en zeide met een stem zoo helder als zilver: „Neen, die Joël Eikhoff reeds voor een overwonnen standpunt houdt, moet de gevaarlijke ridders en helden reeds in het doopkussen zoeken! — Maar halt! ik ben met mijne vragen noch niet aan het einde!"

„'t Spijt mij! Men mag aan het noodlot slechts ééne vraag doen!"

„Aan het noodlot; goed! Doch wat heeft dat met u uit te staan?"

„Veel. — Hoordet gij niet van mannen, die het noodlot eener vrouw werden?"

„Zeker. Ieder ongelukkige, die zich toch tot vrouw van een man maakte, bezegelde haar treurig lot!!

„Spot maar — Mevrouw de Barones!"

„Die titel is voor mij nog alleen een echo, — de ketenen van mijn noodlot zijn verbroken, ik ben weder

Sluiten