Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo vrij en zoo gelukkig als vóór zes jaren, toen ik de beteekenis van die waardigheid nog volstrekt niet ve'rmoedde en er het slachtoffer van werd, als een kind, dat in zee loopt, om een zeeroos te grijpen!"

„Uw vrijheid maakt u gelukkig, Mevrouw? — Mij niet minder. En desniettegenstaande zijt gij ook thans nog een kind, dat zich in een zeepbel verheugt. De vrijheid, welke een schoone vrouw op nieuw erlangt, is alleen de zekerheid, ze weldra voor de tweede maal te verliezen!"

Zij trok de fijne wenkbrauwen norsch op. „Een kind, dat zich gebrand heeft, schuwt het vuur."

Hij boog zich een weinig voorover en keek haar met een wonderlijk dwingenden blik in de oogen. „Hebt gij waarlijk het vuur, den heeten, brandenden, verteerenden gloed der hartstochtelijke liefde in dien echt leeren kennen? — Neen! Die vlammen schuwt geen menschenhart, al brandt men zich daar ook doodelijk aan. Alleen die pijnlijke, martelende, bedriegelijke vonken, welke blazen branden, op het vuur gelijken en toch uitgaan, omdat er geen ware gloed, geen leven in woont, die schuwt de ongekunstelde kinderziel als een marteling, waarop de ware innigheid der liefde doodbloedt!"

Zij had zich eensklaps opgericht en afgewend, hare lippen sloten zich, alsof zij het antwoord tegen wilden houden. Vervolgens wendde zij zich weder langzaam naar hem toe. Een matte, schier onderworpen uitdrukking lag op het anders van levenslust tintelende gelaat. „Waarom aan het verleden gedacht, als het heden zoo schoon is, dat men gaarne er tegen zeggen zoude: — toef toch! — — en ook dit heden vliegt nog sneller voorbij dan de polslag, welken het deed geboren worden. — Ik hoor voetstappen. De zuster van mijn man, die mijn eenzaamheid deelt!"

Zij trad langzaam haar, die naderde, te gemoet, als een zilveren nevelstreep gleed de sleep van haar eigenaardig gewaad over het tapijt.

Sluiten