Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn bestaan nog niets vermoeddet,. anders zoudt gij mij er wellicht van verdacht hebben, dat ik de duiven, kabouters en het Grieksche balkon met het dichterlijk prieel in orde gebracht had! — Neen, daarvoor wordt zulk een genialiteit van Gods genade, als die van mijn kleine Sappho vereischt! — Dichten, schrijven, musiceeren, schilderen, beeldhouwen, modelleeren — o, gij heilige oneindigheid, vraag liever, wat Daphne niet kan! 't Is verschrikkelijk, bepaald verschrikkelijk! Zoovele talenten te bezitten, moet een straf zijn! Ik bezit slechts een enkel — ik ben een kookgenie — doch wanneer ik bij het koffiemalen nog portretten moest schilderen, als ik bij het bedenken van „menu's" nog

dichten moest God zij me genadig — een taart

modelleeren en daarna een buste " zij schudde als

in troostelooze wanhoop het hoofd, drukte de handen met de tallooze kloofjes tegen de slapen en snelde naar de deur der eetzaal terug.

Daphne keek haar opgewekt na. „Hoe bevalt zij u?"

„Zij behoeft niet eens een erftante te zijn, om een charmanten indruk te maken."

„Zij is de belichaamde goedheid en beminnelijkheid, maar voor de heilige kunst heeft zij niets over. Hoeveel zij ook van mij houdt en hoe zij mij vergoodt, als kunstenares ben ik haar een remcde contre Vamour /"

Peinzend had Joel in het schoone, eigenaardig boeiende gelaat der jonge weduwe gestaard. Een plotselinge gedachte kwam er in hem op, een gedachte, welke hem schier den adem benam.

Toen hij niet onmiddellijk antwoordde, keek zij vragend naar hem op.

Zijn blik bracht haar in de war.

Zij begaf zich naar het roode salon, om met een sierlijken pook in het vuur te stooten.

Helder opvlammend wierp het zijn krachtig schijnsel over haar, zoodat hare witte gestalte als in purper gedoopt vóór hem stond. Zonderling, de zinnen prikkelend beeld, die jonge, slanke vrouw in een sluier-

Sluiten