Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zestienjarige meisje den voormaligen aanbidder der moeder tot man begeerde. Galavera was altijd nog een schoon en interessant heer. Met hem op reis te leven, door zijne schitterende financiëele omstandigheden in de gelegenheid gesteld te zijn al hare weelderige neigingen bot te kunnen vieren, bewoog de kleine, den consul haar handje te reiken. Zij waren ook heel gelukkig samen, hij vertroetelde en verwende haar, had schik in haar gril, schrijfster te willen zijn, en stierf in het aangenaam bewustzijn, door haar in een gedicht bezongen te worden."

„Liet hij haar zijn vermogen na?"

„Helaas!"

„Helaas ?"

„Ja, helaas! Zij was als een kind, en had er absoluut geen verstand van, het kapitaal te beheeren, heeft dat ook nu nog niet. Het zou ten hoogste tijd zijn, dat een krachtige mannenhand zich met hare onverstandige handjes vereenigde."

„Hoe lang is zij weduwe?"

„Sinds drie jaar. Gedurende twee winters woont zij hier. Aanvankelijk heeft zij werkelijk om den Consul getreurd," weder grijnsde de spreker als een Faun, „en als zij soms gedurende dien tijd lachte, dan lachte zij zeer treurig!"

„Bravo! Gij hebt een gevaarlijke tong, Doctortje! En Mevrouw Daphne is alzoo schrijfster."

Hij haalde ironisch de schouders op. „Men zegt het van haar. Zij gaat er voor door en men huldigt de schrandere, van God begenadigde vrouw blindelings, zonder te vragen, of men het te recht of ten onrechte doet. Hoe zou men dat ook? Als men deze kamer binnentreedt, weet men toch zonder eenige opheldering, dat hier iets geheel buitengewoons, hoogst interessants en geestigs wonen moet."

„Zonder twijfel, deze omgeving is zoo origineel, dat men overtuigd moet zijn, daarin een hoogst geniale dame te ontmoeten."

Sluiten