Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar samen en geen woudvogel fladdert baanbrekend vóór hem uit, om de ontrukte terug te vinden.

Baronesse Galavera wierp een snellen blik achter zich. Eikhoff was in het boudoir geketend.

Zij wendde zich, met een stomme vraag in de oogen, naar den Doctor, die haar toevallig gevolgd was.

Hij knikte, en daar zij voor het oogenblik alleen stonden, boog hij zich fluisterend tot haar over. „Hij weet alles, wat hij weten wilde en weten _ moest. Ongevoelig voor millioenen is hij niet, maar hij schijnt desniettegenstaande zeer ernstig vuur gevat te hebben."

„Hij kan toch niet vermoeden, dat je hem mijne omstandigheden uit berekening zoo gunstig afschilderdet?"

„Neen, daarvoor maakte ik je van den anderen kant veel te zwart in zijne oogen."

„Goed. — Zie thans, of je hem voor de speeltafel aanwerven kunt."

Haastig en zacht waren de woorden gewisseld en de Doctor mengde zich opnieuw onder de gasten, om onder heimelijk geeuwen ettelijken heeren een klein spelletje voor te slaan, dat als tegengif voor de doodelijke verveling in poëtische keuvelhoekjes gearrangeerd zou worden.

Men scheen reeds smaak in dat „dessert" gekregen te hebben.

Het Turksch boudoir was bliksemsnel in een kleine speelkamer veranderd, waar een gezellig skat, baccarat en ecarté, als zeer onschuldig, hand aan hand gingen.

De Doctor legde den vinger op Joëls arm.

„Nu, onsterfelijke, laten wij, vóór gij mij morgen doodschiet, dobbelen, wie de nalatenschap krijgt!!" zeide hij lachende. „Wat zoudt gij van een klein verzoeningsskat zeggen?"

Eikhoff trok een leelijk gezicht. „Ga achter mij. Satan!" zeide hij schertsende. „Hier, in deze vertrekken van een engel, heb ik geen gedachten voor 's duivels gebedenboek!"

Sluiten