Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzamelde reeds een bundeltje hoogst origineele melodieën, welke hij van het jonge mensch naschreef en zal uitgeven onder den titel: „Liederen van een onbekende, naar Spiro Malia.""

Joël leunde tegen de gebeeldhouwde boekenkast, greep haastig naar een glas sect, dat een bediende juist aanbood, en goot den inhoud in één slok naar binnen. „Dat zou interessant zijn. Wanneer denkt de Maëstro de verzamelingen te laten verschijnen?" vroeg hij heesch.

De Professor haalde de schouders op. „Nu ja, vandaag of morgen zeker nog niet. Hij wil toch vóór alle dingen beproeven, genoemden Spiro Malia in concerten te laten optreden. Apropos van concert! Daar valt mij in, waarde kapelmeester, dat de symphonie reeds weder uitgesteld moet worden! — De influenza schijnt toch niet zulk een onschuldig ziekteverschijnsel te zijn, als men bij de eerste gevallen aannam

Joël maakte zich het voorwendsel, dat hij een bediende iets moest toefluisteren, ten nutte om zich, zonder dat zulks bevreemding wekte, weder te verwijderen.

Zijn gezicht zag er vervallen en ellendig uit, het was, alsof inwendige stormen en hartstochten er hunne voren in trokken. Hij trad naar het buffet en liet zich een groot glas portwijn inschenken. Dat joeg het bloed naar zijn gelaat terug.

Hij begaf zich naar zijn moeder. — „Hoe bevalt u Daphne?" vroeg hij kort, op fluisterenden toon.

„Voortreffelijk, verrukkelijk!" verzekerde Mevrouw Elly ietwat verstrooid, zij liet zich zooeven weder door ettelijke dames met Mister Smith plagen. „Hoe kan je dat nog vragen, boy? Zij brengt toch de gansche wereld in verrukking! — Overigens — van Smith zijn de dames insgelijks verrukt," ging zij levendiger achter den waaier voort, „en vroeger zette hij mij zijne omstandigheden zoo opvallend helder uit elkander, dat men blind zou moeten zijn —"

Sluiten