Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXI.

Joël ging slapeloos in zijn kamer op en neder, tot de stralen der late wintermorgenzon zijn bleek, afgeleefd gezicht beschenen. Niet dat de beleediging, welke zijn moeder dezen nacht had ondervonden, hem in 't minst prikkelde, integendeel, een zeker, zeer onkinderlijk leedvermaak vertrok zijne lippen, als hij er aan dacht.

Het was toch geheel en al haar eigen schuld! Waarom wilde de vrouw met den volwassen zoon volstrekt nog zoo jong zijn, waarom trok zij den aanmerkelijk jongeren man zoo geweldig tot zich, door hem attenties te bewijzen, welke hem van zijne zijde den plicht oplegden, haar wederkeerig het hof te maken ! Wie zich op zulk een manier belachelijk maakt en zelf een katastrophe uitlokt, kan zich niet verwonderen, als zulk een klucht een ontzettend einde neemt.

Bovendien was Joël nooit bijzonder ingenomen geweest met de gedachte, zijn moeder nog eens te zien trouwen.

De helft van het vaderlijk vermogen was haar in vrijen eigendom toebedeeld, en in geval van een tweede huwelijk zou dit schoone kapitaal op de kinderen of den echtgenoot zijn overgegaan. Joël evenwel kan geen penning missen, dat ziet hij heden beter dan ooit in.

Als een schrikwekkend spook vervolgde hem de ontzettende gedachte aan Spiro Malia's ontdekking door den Italiaanschen Professor.

Geeft hij inderdaad een bundeltje van de fantasieën

uit, welke hij van den jongen Griek heeft nageschreven,

wie staat er dan voor in, dat het niet juist de wijzen zijn, welke Joël hem voor de Dorpslurley ontstolen heeft ?

Spiro is zonder tegenspraak zelden in herhalingen

Sluiten