Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXII.

Joel overlegde, of hij zijn moeder van den stand van zaken op de hoogte zou brengen.

Mevrouw Elly verkeerde evenwel sinds de blamage, welke Mister Smith haar had aangedaan, ronduit gezegd in een onverdragelijke luim. Haar stemming was zoo geprikkeld, dat het bijna niet mogelijk was, kalm met haar een gesprek te voeren; zij sloot zich in haar kamer op, beweerde, dat de gansche residentie haar uitlachte, dat zij zich onmogelijk nog onder menschen kon vertoonen, en dergelijke uitvallen van woede en smart meer.

Daar de zoon in anderer leed nooit het geringste deel nam en ook zijn moeder als „hem volstrekt niets aangaande" beschouwde, verveelde hem het gezelschap der zenuwachtige vrouw, wier „avontuur met Reinfall" hij veel te belachelijk vond om het ook maar eenigszins de aandacht te schenken.

In de laatste dagen had Mevrouw de Geheimraad gedurende een vluchtig samenzijn aan het ontbijt haar voornemen te kennen gegeven, een lange reis naar het Zuiden te aanvaarden, tot men de affaire Smith in den kring der kennissen had afgehandeld en er door de babbelaarsters een nieuw onderwerp voor hare koffiekransjes gevonden was.

Joel was het daarmede volkomen eens.

„Men zal het in 't algemeen des te beter begrijpen, dat ik als „onbestorven weduwnaar" zoo spoedig mogelijk mijn eigen huishouden opricht."

„Je wilt er inderdaad zoo maar hals over kop op los trouwen?" vroeg de moeder verbaasd, „zou ik voor mij die Mevrouw Daphne en haar huiselijkheid niet vooraf eens met een onderzoekenden blik nagaan ? Wij vrouwen hebben toch voor vele dingen een scherper oog en zien nu en dan ietwat meer achter de coulissen

Sluiten