Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk, eindelijk treedt Hendrik met een stralend gezicht binnen en overhandigde hem den brief, op welks komst hij ten slotte even reikhalzend heeft gewacht, als zijn ontstemde meester.

Joël wacht niet, tot zich de deur achter den bediende heeft gesloten en het nieuwsgierig loerende gezicht is verdwenen, 'hij rukt er met bevende handen de met goud bedrukte enveloppe af en slaat het stijve papier uit elkander.

Daphne's groot, met krullen voorzien schrift.

Het schemert hem vóór de oogen.

Hij raapt zijne gedachten bijeen en leest.

„Innig beminde, goddelijke! — Ja, mijn liefdevoor u is vurig en hartstochtelijk, Joël, en toch lig ik arme, zwakke vrouw en strijd tevergeefs tegen dat vurige hart! Waarom hebt gij mij gekust, onmeedoogende? Nu smelt mijn ziel weg onder den gloed van dien kus, en ik, die sinds lang niet meer aan dat hart in mijn borst heb geloofd, ik ondervind onder aangename marteling, dat het toch nog klopt en onweerstaanbaar naar u heen dringt. Moet ik er gehoor aan geven, aan mijn hart of aan mijn koel, nuchter verstand, dat dit arm hart dwaas noemt, dwaas, omdat het zichzelf en zijn gouden vrijheid wil opofferen? — Ach, mijn hoofd doet pijn, — ik lijd! — Waarom wilt gij mij huwen, Joël Eikhoff, gij, wien alle harten tegemoet vliegen, gij, van wien ieder zegt: „Alleen de bekoorlijkste van allen zal zijn keus gelukkig maken." — Ben ik die bekoorlijkste? — Neen! — ik sta vóór den spiegel en roep in wanhoop uit: neen! — de verblinde wereld praat van mijn schoonheid — ik zelf vind mij leelijk — de menschen bazelen van mijn rijkdom, ik zelf noem mij arm ! — Joël Eikhoff, waarom doet gij aanzoek om mijn hand? Ik kan het niet vatten, ik ben wantrouwend, omdat ik bemin! — Begeert gij mij, de schitterende, vermogende, gevierde Barones Galavera, of mij, de eenzame, arme Daphne, die zoo gaarne in uw arm gelukkig zou zijn en wereld en tijd

Sluiten