Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In zeer opgewekte stemming betrad Joël de kamer zijner moeder.

Hij was niet weinig verbaasd, daar valiezen en koffers hoog opgestapeld vóór zich te zien.

„Nu? — wordt de reis reeds ondernomen?" vroeg hij een weinig onthutst.

Mevrouw de Geheimraad trad hem in een zeer elegant reiscostuum tegemoet. Zij reikte hem koel de hand. „Ik wilde je adieu zeggen, zoonlief; ik rijd naar het station."

„Mag ik ook nu nog niet weten waarheen?" — Hij kuste met een innigen blik haar hand.

Zij glimlachte met een uitdrukking van fijnen spot op het gelaat. „Zeker, heel precies. Ik reis naar het Zuiden."

„Zoo! — ik betreur het zeer, dat gij heden avond bij gelegenheid van mijn verlovingsfeest niet tegenwoordig zult zijn!"

Zij was niet zoo verrast, als hij had gedacht. Zij keek ternauwernood van den handschoen, welken zij toeknoopte, op. — „'t Spijt me wederkeerig."

„Hebt gij geen gelukwensch voor mij, mama?"

„WenSchen genoeg. Maar of zij je een geluk naar je smaak toewenschen ? — Ieder is toch de bewerker van zijn eigen geluk!"

„Zonder twijfel. Mag ik tenminste aan de Barones uw gelukwensch overbrengen?"

„In geval je haar daarmee eenigszins genoegen kunt doen!"

„Welke reden zal ik voor uw onverwachte afreize opgeven ?"

„Mijn zeer geschokte gezondheid."

Zij keek op de pendule en reikte hem andermaal de hand: „Zoo leef dan wel, en — moge je je ietwat overijlde stap nimmer berouwen! Het zal me aangenaam zijn, eens tijding van je te ontvangen."

„Ik verzoek u zeer om antwoord. Reeds voor het oog der wereld moeten wij toch correspondeeren, anders denkt men allicht aan twist."

Sluiten