Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker, ik zal den schijn vermijden, ook tegenover je verloofde."

„Adieu mama. Zal ik u naar het station uitgeleide doen ?"

„Dank je. Vermoei je niet."

„Zooals gij wilt."

Daarop scheidden zij, stijf, vormelijk, beiden beleedigd en ontstemd.

Zonderling, hoe zeer de moeder dien zoon ook steeds verwend en al zijne wenschen blindelings ingewilligd had, hoe krachtig zij van kindsbeen af ook zijn ijdelheid voedsel gegeven en hem gevleid had, waren toch de harten elkander vreemd gebleven, ja, dat van den zoon had de moeder zeker nooit bezeten. In weerwil van de grenzenlooze verwenning van het kind, had zij er toch nooit veel tijd voor over gehad, het was tusschen dienstboden en vreemde menschen opgegroeid en betoonde evenals deze slechts gehuichelde hoffelijkheid tegenover zijne ouders; welke volstrekt niets met liefde of teederheid gemeen heeft.

Ook was het zeker de grootste fout der moeder geweest, dat zij zeer dikwijls den zoon getuige had doen zijn van al de vele kleine en grootere echtelijke geschillen en daarna in haar opbruisenden toorn den vader in de oogen van den zoon te verkleinen en te bespotten.

Zij ondermijnde daardoor niet alleen den eerbied voor haar echtgenoot, maar boette ook het weinigje hoogachting in, dat het jonge mensch haar wellicht nog zou toegedragen hebben.

Zóó stonden moeder en zoon, in weerwil van de oogenschijnlijk groote sympathie, toch als vreemden tegenover elkander, die elkander niet verstonden.

Wat in de oogen der wereld de grootste wederzijdsche hartelijkheid en overeenstemming scheen, was in den grond niets anders dan egoïsme.

De zoon vond het gemakkelijk, met groote voorzorg steeds de moeder op den voorgrond te schuiven, als

Sluiten