Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joel kijkt eensklaps op en lacht. Zonderling! Zeide ook Daphne niet tot hem: „Nimmer moet gij mij

vragen?" .

Bah, dit is toch een vragen, waarop hij voistreKt geen antwoord noodig heeft. — Het antwoord zal met goudklank door hare vingertjes rollen, ook zonder dat hij daarnaar een onderzoek behoeft te doen, ook zonder dat hij door de begeerte wordt gekweld, het juiste cijfer van haar vermogen te weten.

Welaan dan. — Hij schrijft.

Op zijn overdrevene, breedsprakige manier verzekert hij haar, dat hij alleen Daphne, de goddelijke, bemint. En dit, al was zij ook haar classieke zuster in die mate gelijk, dat zij niets op aarde het hare noemde, dan den laurier, welke hare bekoorlijke gestalte omhult! — En dezen laurier bezit zij! Hij tooit haar schoon hoofd, hij ligt als huldeblijk eener halve wereld aan hare voeten. Dat weet hij, en anderen rijkdom begeert hij niet, uitgenomen dien eener ontzettend rijke, onuitputtelijke liefde, welke hij als eenige huwelijksgift van zijn vrouw eischt! Kan zij hem die liefde schenken? Ja, zij schreef het hem, zij benevelde hem door de verrukkelijke bekentenis, dat haar hart hem met vurig verlangen tegenklopte! W aarom hem nog tot een nieuwe, onverdragelijke marteling van wachten

te veroordeelen ?

Hij wacht om op haar roepstem in hare nabijheid te verschijnen, zooals een van dorst versmachtende naar het murmelen der bron luistert!

Nog een woordenrijke verzekering zijner hemelhoog opvlammende liefde, — en Joël herleest met innige zelfvoldoening het geschrevene.

Hij heeft reeds menigen minnebrief geschreven — die, welken hij op dit oogenblik in handen houdt, komt hem voor een meesterstuk te zijn. Is het wonder.

Hij heeft hem met kokend bloed geschreven, want hij gevoelt ditmaal inderdaad iets voor de begeerde vrouw, wat met liefde overeen komt. De liefde

Sluiten