Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarop schitteren de gezichtjes nog helderder dan de heide in den zonneschijn.

Ook achter hen sluit zich de bruine, ronde kerkdeur.

Thans geldt het alleen nog den Predikant afwachten. Het rijtuig met één paard kwam stipt op tijd aanrijden.

De wielen zijn diep door de sneeuw gegaan en de koetsier, een braaf, oud man in een boersche manteljas, blaast zich in de verkleumde handen. In een dikken pels, de hooge, donkere muts op het hoofd, stapt de jonge geestelijke uit en gaat met deftigen stap het kerkje binnen, aangegaapt door de kleinen, die eerbiedig ter zijde staan en het nauwelijks wagen, een schuchter „goeden dag" 'uit te spreken. Hij kent de vlaskopjes en strijkt in het voorbijgaan vriendelijk met de hand over de frissche gezichtjes.

Nog eenmaal zingen de klokken bom bam bom — bam — en dan is het stil.

Wat de Predikant met luider stem spreekt, hooren de kinderen niet mede aan, zij sukkelen langzaam weder naar de dorpsstraat, en halen in dubbelen jubel en lawaai in, wat zij zooeven in schuwe aandacht

verzuimd hadden.

De jonge Predikant is eens voor altijd op het landhuis ter maaltijd genoodigd. Dikwijls vergezelt hem zijn vrouwtje, dat aan de dames Koltitz bijzonder lic f en sympathiek is geworden.

Heden heeft een lichte verkoudheid van haar zoontje de bezorgde moeder thuis doen blijven.

De Predikant verontschuldigt haar op zijn hartelijk beminnelijke manier bij Mevrouw de ()verste, toen zij elkander na afloop der godsdienstoefening vóór de deur der kerk ontmoetten.

Hij gaat niet onmiddellijk met de familie mede, daar hij vooraf nog een paar ziekenbezoeken in het dorp wil afleggen. Gelukkig zijn het geen ernstige gevallen. De oude Kiliaan klaagt over zijn rheumatiek, Fieken Grothus heeft zich bij het slachten de voeten gebrand

Sluiten