Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Jochem Warnke berichtte dat hij weldra met een derde jongetje ten doop zou komen.

Mevrouw Koltitz heeft insgelijks plan de kraamvrouw te bezoeken, zij neemt een kort besluit en vergezelt den Predikant.

Erika en Landen keeren onmiddellijk naar het landhuis terug.

Andermaal luidden de klokken. Alleen, geheel alleen stappen zij door de stille, met sneeuw bedekte wereld; zonlicht stroomt over de weide en omweeft de beide jeugdige gestalten met een gouden sluier.

„Doch de meeste van deze is de liefde!" — Klinken deze woorden van den prediker niet onophoudelijk uit eiken klokketoon? —• Jubelt het niet uit den open hemel naar beneden, vonkelt het niet rond om in duizend witte sterretjes? — „Doch de meeste van deze is de liefde!" Ook in de harten der beide jongelieden klinken deze woorden na, en daar geen ander geluid daarmede is te vergelijken — zoo wandelen zij zwijgend naast elkander.

Eindelijk heft Wigand diep ademhalend het hoofd op. „Hoe stil! — hoe onbeschrijflijk stil en plechtig!"

Erika knikt. „Ik beklaag de arme stadsmenschen, die zulk een sabatsrust niet kennen."

„Wat zal het thans door de straten der residentie ratelen en suizen, bruisen, schellen en gillen! Wat zullen zich de menschen vermoeien en afjagen, om zich maar vroeg in den maalstroom der vermaken te werpen! Gode zij dank, dat onze stille heide alleen orgelmuziek en klokgelui ter viering van den Zondag kent!" — Hij werpt een onderzoekenden blik op haar gezichtje.

Glimlachend knikt zij hem toe. „Ja, Gode zij dank, dat we weder thuis zijn. Geloof je, Wigand, dat we ons in deze rust zoo oprecht verheugen zouden, als we het lawaai der groote wereld niet zoo pas eerst achter ons hadden gelaten?"

„Neen, ook een weldaad kan een niet op prijs

Sluiten