Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts; doch de blonde man aan haar zijde verstaat het toch. Een groote ontroering drijft hem het bloed naar de wangen.

„Erika!" — Hij vat haar hand, — bevend ligt de hare in zijn krachtige rechter. — Nu moed — nu nog een enkel woord! — Hij heeft een gevoel, alsof het kloppen van zijn hart hem zal doen stikken. — Het blijft stil, maar zij loopen hand in hand verder.

„Waarom.... waarom wou je met Mister Smith met trouwen?" brengt hij eindelijk met moeite er uit.

„Omdat ik hem niet beminde!"

En weder een pauze. Zijn van hartstocht trillende hand omklemt de hare. En plotseling buigt hij zich voorover en kijkt haar met een onbeschrijfeïijken blik in het gelaat. „Maar wien.... wien bemin je dan wel, Erika?" Nu wringt zij haar hand los en verbergt daarachter haar gloeiend gezichtje, — doch slechts een seconde lang; reeds heeft Wigand den arm om haar geslagen en staart hij haar in de oogen. Wat hij daarin leest, doet hem in overmaat van geluk het rechte woord vinden.

„Mij bemin je, Erika! — mij / — want je moet me beminnen, zoo de Barmhartige in den Hemel eens menschen gebed verhoort!"

„Amen! — Amen!" — zingen de klokken bij haar laatsten galm. — Nog eenmaal stijgen de volle tonen luide aanzwellende op naar het zonnige firmament, daarop sterven zij zacht weg over de hoofden der beide gelukkigen, die geen andere taal meer kennen, dan die, welke, mond op mond, alleen slechts de liefde verklaren kan.

Moeder Doortje stond vóór het huis en hield de hand boven de oogen, om uit te zien. Zij verkeerde altijd nog in een slechte luim.

Wat had zij nu aan die prachtige muts met schotsgeruite linten, welke haar Mevrouw de Overste reeds vóór twee jaren op het Kerstfeest had geschonken, wat moest zij met het kostbare witte kantenschort

Sluiten