Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haar blik flikkert tot hem op, als tot een doordringend onderzoek. Hij ontstelt hevig, doch hij merkt de uitdrukking harer oogen op en glimlacht.

„Zoover als mijn geld strekt, zal ik het gaarne

doen, liefje, maar zul je uit dankbaarheid dan ook

vlijtig aan de Melusine werken?"

Hij heeft zich niet vergist. Zij wil slechts een proef nemen. Eensklaps verheft zij zich en slaat den arm om zijn hals. „Hoe kom je zoo goed, eenigeman! — Hoe waar heb je gesproken, dat je de arme Daphne bemint! Heden avond krijg je het slot van het libretto, verlaat je op me."

Hij tracht zich geweld aan te doen en haar een paar teedere woorden te zeggen, doch zijn stem klinkt heesch en rauw, — de tong kleeft hem aan het gehemelte.

Nog doen ergernis en opgewondenheid al zijne zenuwen trillen en geen gevoel van hartstochtelijke liefde is in staat den storm te doen bedaren.

De vluchtige bedwelming der zinnen is vervlogen, wat hem eertijds heeft verblind en verschalkt, heeft zijn bekoorlijkheid verloren. De goddelijke Daphne heeft haar sluier opgelicht en het schelle daglicht beschijnt een leelijke, troostelooze werkelijkheid.

Zóó verlicht de zon stoffige, gescheurde en verkleurde tooneelcoulissen, welke bij lamplicht onder den stralenkrans van het geniale en origineele een machtig effect gemaakt hebben.

Neen, Joel is ontnuchterd en bemint zijn vrouw niet meer, — zoo het gevoel, dat hij vroeger voor haar koesterde, ooit liefde is geweest. Thans bindt hem alleen nog de gedachte aan haar rijkdom, en de gouden slavenketenen boeien hem machteloos aan hare zijde.

Als hij de salons doorwandelt, begrijpt hij het zelf niet, hoe zij hem toenmaals in die mate bedwelmen en in de war brengen konden.

Men ziet, dat zich geen hand meer roert, om ze in orde en zindelijk te houden. Het daglicht verraadt

Sluiten