Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik je dien, reis zoolang als je wilt!" zeide hij koel.

Zij jubelde luide. „Heerlijk, verrukkelijk! Ik heb reeds gepakt en reis met den nachttrein. Voorzie me,

als 't je blieft, van geld of geef me een brief aan

je bankier meê, ik rijd nog even uit!"

Hoe zonderling staart hij haar aan.

„De brief zou je niet veel helpen."

„Waarom dat? Ik legitimeer me!"

Gelaten kruist hij de armen. „ De bankier heeft niets meer met me uit te staan!" brengt hij er heesch uit.

„Wat beduidt dat?" Zij treedt een schrede nader en neigt het kopje vooruit, alsof zij hem niet goed heeft verstaan.

„Het beduidt, dat mijn vermogen op is, dat ik alles, wat ik bezat, voor jou opofferde. Kapitaal is er niet meer, en nieuwe ontvangsten door de Dorpslurley zijn gedurende een half jaar niet te verwachten!"

Zij staart met wijd opengespalkte oogen in zijn gezicht, hare wangen worden zelfs onder het blanketsel

vaal. „Joel.... je schertst laat zulk een onmee-

doogende ongepastheid na, ik ik ben te nerveus,

om de geestigheid er van in te zien!"

Hij is opgestaan, zijn voorhoofd ziet er uit als een dreigend onweder. „Er steekt, bij God! geen geestigheid in, maar het is eenvoudig de fatale, onveranderlijke waarheid, dat ik bankroet ben!"

Neen, hij schertst niet, dat ziet zij aan zijn vervallen gelaat. Met een schrillen kreet deinst zij achteruit en staart hem aan als een spook.

„Je bent arm? Je bent bankroet?" herhaalde zij, en daarop breekt zij in een gillend gelach uit, werpt zich in den stoel en drukt het verwrongen gelaat in de kussens. „Dus dat was mijn geluk, dat waren de millioenen, welke je huicheldet, dat was de onuitputtelijke goudbron der Dorpslurley?!"

„Trouwde je me uitsluitend terwille van dien vermeenden rijkdom?"

Sluiten