Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En waarmede zult gij die bewering motiveeren?"

„Met het eenvoudigste feit. — Ik heb de Dorpslurley op Goedland gecomponeerd, en de idioot heeft mijne melodieën gehoord en in het geheugen bewaard.'

„Nu speelt hij ze u na. Voortreffelijk. Dus, ik wacht met ongeduld op het manuscript."

Hij vertrekt en Joel zinkt als gebroken op een stoel neer. Zijn schoon gelaat is nauwelijks nog te herkennen, een lijkkleur bedekt het, woeste, waanzinnige angst en verbittering verteren het.

Hij wil zich tot bedaren brengen, hij graaft de nagels in zijn eigen vleesch. — Daarop schrijft hij met bevende handen de weerlegging.

Schaduwen golven er vóór zijne oogen.

De avond van de première komt.

Aan de schouwburgdeur wacht de agent op Joel. Hij trekt hem ter zijde en fluistert hem een paar woorden toe.

Het staat zeer slecht. — Een particulier, omgaand schrijven heeft hem medegedeeld, dat Eikhoffs alibi niet steekhoudend is. De Professor Conozne heeft Spiro Malia reeds vóór twee jaren gehoord en toenmaals reeds de melodieën ten deele verzameld. Hij zal bewijzen daarvoor bijbrengen.

Joëls oogen staren hem koud en doods aan. „Goed, dat hij bewijze bijbrenge!" zegt hij verstrooid, knikkende. En daarop stapt hij langzaam, als een oude, terneergedrukte man, naar het tooneel.

Hoe anders, — hoe geheel anders dan toenmaals.

Heden omringt hem niet met bèslist stormachtigen jubel een schaar van in verrukking gebrachte vrienden, men gaat ternauwernood hoffelijk voor hem uit den weg.

De zangers en zangeressen staan in het levendigste gesprek, hun verstommen, hun spotachtig glimlachen of verlegen worden bewijst hem, dat het gesprek over hem en de liederen van den onbekende loopt.

Sluiten