Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgestelde corridorzijde naar den uitgang. Een heer ijlt haar na en neemt haren arm.

„Uitgefloten! De valsche heilige is ontmaskerd!" roept de dame met woeste onstuimigheid uit. „Bewaar me voor hem, Alexandros! Het zou me den dood berokkenen, den erbarmelijke, onteerde weder te zien!"

Joël staart haar in het voorbijgaan in het gezicht.

„Daphne!"

Ook zij herkent hem en heft met een zachten kreet van ontsteltenis, als om hem sidderend af te weren, de handen tegen hem op. Op dezelfde plek, waar zij hem toenmaals het eerst heeft ontmoet.

Hij barst in een schrillen schaterlach uit en stoot haar op zijde. tt

Naar buiten, naar buiten in den stillen nacht, waar hij geen menschen ontmoet!

Een droschke! — Zij moet hem veilig naar zijn eenzame kamer brengen.

En nu is het nacht, donkere, stille, duistere nacht.

Op het tapijt ligt Joël Eikhoff, stijf, roerloos, als een doode.

Zijn bleek gelaat is onkenbaar veranderd, de handen zijn krampachtig over de borst getrokken, welke onder folteringen der wanhoop stuiptrekkend op en neer gaat. Stil, — — stil.

En daarop keert allengskens het leven in de doffe oogen terug.

Hij sleept zich naar een stoel, hij staart vóór zich uit in de ledige ruimte. — Wat nu? — Onteerd, uitgefloten, doodarm! — Wat nu?

De morgenzon schijnt in de kamer, hare stralen vluchten verschrikt voor het bleeke, spookachtige mannengezicht, dat ze met holle oogen tegenstaart.

Nog eenmaal richt Joël zich driftig op en drukt driest de tanden op elkander. Had hij deze ure niet zien komen, had hij daarom niet een rijke vrouw getrouwd? — Als ook Daphne uit verachtelijk egoïsme hem thans verliet, — hij zou ze niet laten gaan. Eerst

Sluiten