Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ding van onzen echt aangenaam zijn, want een arme vrouw past niet bij een armen man. Dat ik geen vermogen bezit, weet je, want je deedt me schriftelijk deze belijdenis, dat je uitsluitend om de hand van „Daphne", de arme, onvermogende, vroegt. Wij hebben ons wederkeerig in elkander bedrogen, moge de komedie hiermede eindigen. Eene, die je niet meer kent.

Daphne."

Joël knijpt het papier met sidderende handen in elkander. Een ongearticuleerde schreeuw en daarop lacht hij, — een akeligen, schrillen lach.

Thans is de maat vol.

Werkelijk vol? — Hij schudt de gebalde vuisten in waanzinnigen haat. Je zult je vergissen, Daphne, zoo goedkoop zul je niet vrijkomen, voor de tweede maal laat zich de dwaas niet door je voor den gek houden. Je vrijheid heb je verbeurd. — van een echtscheiding is er geen sprake, — je verraden echtgenoot zal je weten te vinden en te tuchtigen!

Arm ? Belachelijk! — Dat sprookje is aardig bedacht, maar wie het gelooft is een dwaas! Waarvan heb jij

en je broeder tot hiertoe geleefd? Joël zelf heeft

de sommen gezien, waarover zijn bruid bij het koopen van haar uitzet beschikte.

Eerst moet zij de bewijzen voor haar armoede bijbrengen, en dan zullen wij zien, wie een eerlooze komedie heeft gespeeld, — zij of hij! —

Joël slaat zich met de vuist tegen het gloeiende voorhoofd. Hij wil oogenblikkelijk stappen doen, om de vluchtende te laten vervolgen.

Er wordt aan de voordeur ten tweede male zeer hard gebeld. De slaapdronkene bediende verschijnt eindelijk en overhandigt zijn Heer met een onverschillig gezicht een telegram.

Joël scheurt de enveloppe open. Welk een langen inhoud. Onderteekening: „Je Moeder."

30

Sluiten