Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Arm in arm, één hart en één ziel treden zij in de deur der veranda.

Het zilverlicht der maan omstroomt in stille pracht de verheerlijkte gezichten, in welker oogen zich het reinste geluk weerspiegelt. Vrede zweeft over hemel en aarde, geen wanklank stoort de zalige harmonie van deze eenzaamheid, ver weg ligt de wereld vol haat, nijd, ongeluk en valschheid. Boven het huis op de heide evenwel straalt de heldere ster van een goeden genius, die met zijn vlammend zwaard de slang afweert, welke den vrede van dit aardsche paradijs bedreigt.

Een zacht geruisch en geritsel in de struiken. Niemand let er op, er fladderen zeker nachtvogels door de takken.

't Is weder stil, doodstil.

Een schaduw valt in het maanlicht en glijdt zonder geluid terug naar de heide.

Eenzame schreden weerklinken, — een zacht steunen als uit de borst van een doodelijk gewonde. De wind strijkt medelijdend over Joëls koud, vochtig parelend voorhoofd en de stem eens vogels klaagt uit het elzenboschje.

Zonder doel, zonder plan waggelt de geknakte gestalte van den jongen man vooruit in den nacht.

Hij kon niet aan de deur van Ellerndörp aankloppen, hij kon het niet. Een witte gestalte stond er vóór en weerde het ongeluk af. Het ongeluk hechtte zich evenwel aan zijne zolen, hij droeg het daarheen, waar zich het Kaïnsteeken op zijn voorhoofd vertoonde.

Hoe stil ligt de heide, vrede van het graf heerscht over haar. Joël is vermoeid, doodelijk vermoeid. Waar vindt hij rust voor zijn krank hoofd, rust voor zijn nog kranker hart ? Hij kan niet terugkeeren in de wereld, er ligt een donker, wanhopig iets tusschen haar en hem, de schande.

Zijne knieën beven, hij struikelt voorwaarts, hij zakt ineen; de bodem onder hem golft en bruist.

Riet kraakt ter zijde... en daar... nauwelijks vijf

Sluiten