Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schreden verder, daar schittert een stille, zilverwitte oppervlakte — — het meer.

Een zachte kreet van onuitsprekelijk lijden.

Joël breidt de armen naar het water uit. Het is hem eensklaps alsof het voor zijne ooren zingt en weergalmt, de wind klaagt, het riet zucht het doodslied der Dorpslurley, dezelfde zoete, hartroerende wijzen, zooals hij ze der stervende vrouw op de lippen heeft getooverd, vóór zij den dood in de golven zoekt.

Ja, dat is het doodslied der Lurley!.... Hoor hoe het 'lokt, hoe het roept en misleidt!.... Zweeft over het water niet haar spookachtige gestalte met het fladderende haar? Zij wenkt hem — zij wenkt. Hij tuimelt voorwaarts, schelle stralen schieten onder zijne

voeten op. , .

Hoor het lied! Het zoete lied En nu bruist

en dondert het applaus .... het publiek breekt andermaal uit in een onstuimigen bijval.... hij bedwelmt den

zinkende. Een kreet, een laatste gil. Het water

borrelt wild op, het riet ruischt geknakt ineen en

wordt in een vochtig graf gerukt, dan wordt

het stil, stil als te voren. Langs den hemel waaien zwarte sluiers, de sterren verbergen zich klagend, en aan den kruisweg neigt zich de arme zondaarsbloem als in sidderend gebed.

EINDE.

Sluiten