Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beoefening der wetenschappen te bevorderen en daarvoor ruime hulpmiddelen te verleenen. Die de geschiedenis onderzoekt van tal van ondernemingen van handel, nijverheid, fabrieken, scheepsbouw, van hooger en middelbaar onderwijs in Nederland en en België, vindt daarin het initiatief of den steun of de geldelijke hulp van Willem I. Vaderlijk was zijne Regeering, hij stelde in alles belang. Ieder, die eene benoeming wenschte, ging den Koning daarom vragen: ieder die eene Rijksbetrekking gekregen had ging den Koning persoonlijk daarvoor bedanken. En de Nederlanders wilden zoo gaarne in hem een Vader des Vaderlands zien, die gekomen was om, na de diepe ellende, waarin zij verzonken waren geweest, hen weder te leiden tot een gelukkig volksbestaan. Zij dachten daarbij aan dien eersten Willem, den nooit genoeg te eeren Vorst, die - zooals onze Fruin ons geleerd heeft — later en ten onrechte de Zwijger, maar bij zijn leven door de Hollanders Vader Willem geheeten werd.

De bestuurder Secretaris A. van der Snoek haastte zich om het verslag van hetgeen in 's Konings afwezigheid was voorgevallen op te stellen. Eerlijk biechtte het bestuur alles op: hoe het Genootschap door verdeeldheid en te hoog opgevoerde weelde was achteruitgegaan en in schulden geraakt, maar hoe bestuurders, door groote inspanning en dikwijls door uit eigen middelen bij te passen, het genootschap hadden in stand gehouden, ofschoon dan op veel bescheidener voet, — en hoe zij nu door Zijne bescherming, Zijne hulp weder tot bloei en kracht hoopten te komen ; die bescherming zou hun ongetwijfeld opnieuw tal van leden en van bijdragen toevoeren.

Het is duidelijk dat de bestuurders zich van dien invloed eene overdrevene voorstelling hebben gemaakt. In hunne blijschap hebben zij zelfs een oogenblik de zoete hoop wellicht niet geheel kunnen ter zijde zetten, dat de koning de prijsuitdeeling in Augustus nog eenmaal zou komen bijwonen, zooals hij dat in 1789 gedaan had. Zij noodigen hem, maar zij durven toch niet nalaten er bij te voegen, dat zij zich niet durven vleien, „in aanmerking nemende de gewichtiger aangelegenheden des Vaderlands, waarmede Z. H. beladen is."

Sluiten