Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der teekenscholen in de Gemeenten, en het Rijk zich dus tot het geven van medailles moest beperken, zoodat de kosten, die ter oprichting van nieuwe scholen of ter volmaking der bestaande noodig waren, moesten gedragen worden door de Gemeenten. Na dat Kon. Besluit, ter regeling van het kunst- en teekenonderwijs, was het dus de taak van Leiden's Bestuur geworden om het onderwijs te steunen.

Zoo werd dan opnieuw door bestuurders eene memorie aan de Burgemeesters van Leiden gezonden. Eenig antwoord was tot nog toe niet ontvangen. De geest die den Koning bezielde, om ook wetenschap en kunst uit hun verval op te heffen, was niet wakker bij de Stadsregenten !

Eindelijk, den 7 September 1818, brengen Burgemeesters bij den Raad „de successievelijk ingediende „memorien van M. S. G., welke onder anderen te kennen „geven dat, vermits naar Z. M. intentie alle subsidien, „welke noodig mochten zijn voor stedelijke teeken„scholen bij de stedelijke besturen zouden behooren „aangezocht te worden, en zij mitsdien, als zonder „jaarlijks subsidie, gemeld genootschap niet kunnen „staande houden, zulks van de regeering dezer stad „waren verzoekende" — waarop gedelibereerd zijnde, „heeft de Raad geoordeeld, zoo om de bekrompenheid „van stads kas i/s om der gevolgen wille (!) thans in „dat verzoek te moeten difficulteeren, gelijk geschiedt „bij dezen."

En daarmede konden Bestuurders zien hoe zij zich verder zouden redden. Drie jaren later vragen zij om vrijstelling van belasting op de brandstoffen, op grond van een reglement op de vrijstelling van die belasting aan inrichtingen van weldadigheid verleend (Kon. Besluit van 12 Dec. n°. 112). — Gewezen van de hand. — Den 3 Februari 1834 verzoeken zij opnieuw stadssubsidie aan Burg. en Wethouders, maar eerst den 2en October, dus 10 maanden later, ontvangen zij weder weigerend antwoord, nu met de uitvlucht dat M. S. G. geen eigenlijke teekenschool is, dat de stedelijke finantien ongunstig zijn, en dat de Raad reeds in 1819 een soortgelijk voorstel heeft afgewezen. Vermoedelijk heeft de Raad het voorstel van B. en W. evenals van Burgemeesteren in 1819 knikkend aangehoord.

Sluiten