Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jongens konden niet allen plaats vinden, en de jongeren werden in de kleine school (het Schapenhok) opgeborgen, waar zij toch den spreker konden hooren. Dat zij daar dikwijls spektakel maakten en gedurende de plechtigheid tot de orde moesten geroepen worden door een der onderwijzers, behoef ik niet te verzekeren. Met eene deftige toespraak of rede werd de bijeenkomst door den Voorzitter geopend. Maar het was geen Verslag van den staat der School, het bevatte geene mededeelingen over het onderwijs, zooals thans. Dat zou men toen te droog en te vervelend geacht hebben. In de daarna gehouden vergadering der leden werd dit Verslag voorgedragen en tevens de huishoudelijke zaken behandeld. De rede diende tot opluistering, tot stichting, en bewoog zich naar den geest des tijds nog op algemeen zedekundig gebied. In 1827 besprak de Voorzitter (en tevens onderwijzer) C. Swarts Bevel de vraag of het toewijzen en openbaar uitreiken van eerbetooningen aan de Jeugd een voordeeligen of een nadeeligen invloed uitoefende; in 1840 de Heer S. van Dissel „het nuttige en aangename van het Schoolgaan": in 18-13 de Secretaris W. Wolters: „Over de kunst om vergenoegd te zijn met den stand, waarin men geplaatst is". In 1842 behandelde de Heer S. van Dissel „de menschelijke hand"; ik spreek het vermoeden uit, dat de hand theleologisch en aesthetisch beschouwd is In 1844 en 1845 schijnen de Heeren J. de Sauvage en S. van der Paauw den tijd niet te hebben kunnen vinden om meer te geven dan eene Toespraak, waarvan geen onderwerp vermeld is. In 1846 sprak de Heer P. van Hartrop : „Over de belooningen, die er op het weldoen, en de gevolgen die er op het kwaad doen te wachten staan". De Heer Van der Paauw is echter de eenige, die wat positiefs en leerrijks te vertellen had, want in 1841 besprak hij de uitvinding en volmaking van de stoommachine; in

Sluiten