Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te wijzen. En sinds hadden de algemeene vergaderingen en prijsuitdeeling in de Stadsgehoorzaal plaats, de eerste maal in 1847, toen de Heer anderPaaitw zijne geologische rede hield. Nog twee malen hielden de voorzitters eene rede in den ouden trant; in 1848 de Heer A. Montagne over „het hooge belang van een zelfstandig karakter in al de betrekkingen van het menschel ijk leven," en het laatst in 1849 de Heer Pieter van Geer „over de voortreffelijkheid van den mensch." Ik zou wel gaarne getuigen, dat juist dit voor de toehoorders zoo streelende onderwerp de volgende voorzitters heeft afgeschrikt, maar ik betwijfel het. Hoe dat zij, na 1849 zijn geene redevoeringen in den ouden trant meer gehouden, maar bracht de Voorzitter een Verslag uit betreffende de lotgevallen en werkzaamheden des Genootschaps, evenals thans. Nog een laatsten nagalm gaf onze kunstschilder J. L. Cornet (inmiddels lid van het Bestuur en voorzitter geworden) toen hij aan zijn \ erslag op den 24sten April 1851 eenige vluchtige aanmerkingen liet voorafgaan „over de doelmatigheid van het houden van redevoeringen"; wel een bewijs dat de oude trant uit den tijd was gekomen. Eerst na 1864 namen die verslagen weder den vorm van redevoeringen aan en werden gedrukt; zij betroffen echter alleen de School van het Genootschap. Prof. de GoejE's rede in 1864 is de eerste welke in druk verschenen is.

Het beeld, dat ik U uit den tijd van zestig jaren geleden geschilderd heb, doet ons gevoelen, hoe veel gewonnen is, als wij den tegenwoordigen toestand daarmede vergelijken in leerkrachten, in hulpmiddelen, in leerzalen. Het aantal leeraars is verdubbeld; het aantal en ook de omvang der vakken is uitgebreid. Het aantal leerlingen is niet alleen gestegen, maar hun gehalte nog meer.

Sluiten