Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bereikten. De vergadering waarover ik spreek, was eene bijeenkomst waaraan vele leeraars en vrienden deelnamen, die allen hun getuigenis aflegden. Ik zat met mijn oudste zoontje, dat toen vier jaar oud was, in de bank voor de leeraars; er waren omstreeks 1000 toehoorders in de zaal. Het scheen mij toe, dat ik nog meer neergedrukt van geest was dan anders en dat mij niets bijzonders zou kunnen overkomen, toen ik plotseling, terwijl ik zooveel anderen hun getuigenis hoorde afleggen, den Geest Gods op mij voelde nederdalen. Gij alleen, die het hebt ondervonden, zult mij begrijpen, want het is iets, dat zich niet laat beschrijven. Bene stern scheen mij toe te fluisteren: „Als gij nu eens uw getuigenis gingt afleggen en ik deed dit in zegen veranderen voor uwe eigene ziel en voor hen, die u omringen?" In mijne aandoening antwoordde ik bij mij zelve: „Ja, Heer! ik geloof, dat het moet, maar ik kan het niet doen." Maar eensklaps, na dit antwoord, scheen ik de kamer voor mij te zien, waarin ik ziek had gelegen; ik zag mij zelve voor den Heer neergeknield, toen ik Hein beloofde Hem te zullen belijden, en de stem scheen mij weer toe te voegen: „Gij zijt niet standvastig in uwe belofte." Ik werd doodelijk verschrikt, maar kon slechts antwoorden: „Neen, Heer, ik kan wezenlijk niet." Ik gevoelde op dat oogenblik, dat ik liever zou sterven, dan mijn getuigenis afleggen. En de duivel op zijn beurt fluisterde mij in: „Gij zijt ook niet voorbereid om te spreken; men zou u voor dwaas aanzien, want wat zoudt gij te zeggen hebben?" Deze verontschuldigingen waren valsch, en Satan, gewoonlijk zoo vernuftig, beging hier

Sluiten