Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE TIJDVAK DER OUDE KERKGESCHIEDENIS.

Van Constantijn den Groote tot op Karol den Groote.

333—800.

I. Geschiedenis der Byzanlijnsch-Romeinsche Rijkskerk.

§ 26. De ondergang des heidendom» in het Romeinsclie Rijk.

213. Welke was de verhouding van Constantijn den Groote tot het Christendom, en welke tot het Heidendom?

214. Hoe gedroegen zich zijne zonen, vooral Constantius, na alleenheerseher geworden te zijn?

215. Van waar de naam pagani voor heidenen?

216. Wat, weet gij van Julianus Apostata f

217. Op welke wijze bestreed hij het Christendom, hoe mislukte zijn herbouw van don tempel te Jeruzalem , en wat riep hij bij zjjn sterven uit?

218. Wat deden zijne opvolgers, Theodosius I, Gratianus, Justinianus I? Wie was Libanius? Wat het Serapionf

§ 27. Wederzijdsche verhouding lusschcn Kerk cn Slaat.

219. Hoe ontstond het Sum-episeopaat des keizers?

220. Welke rechten oefende de keizer daardoor uit?

221. Was de invloed van het Byzantijnsche hof gezegend voor de Kerk?

222. Hoe handhaafde zich de Kerk tegenover de keizers?

223. Welke voordeelen vloeiden voor de Kerk voort uit het Beschermheerschap der keizers?

§ 28. Geestelijkheid en hiërarchie.

224. Welke instelling verkreeg het character indelibilis? wat beteekende de tonsuur, en waaruit ontsproot het coelibaat?

Sluiten