Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanvankelijk dachten ze, dat het juist andersom was, en dat er geen beter middel bestond om alle leden des gezins prettig samen thuis te houden dan diezelfde flesch!

Zie, als men zoo 's avonds bijeenzat na het broodeten en de koffie, dan was moeder wel eens bang voor de herberg, en ze zei tegen vader: „vader, we moeten de jongens buiten de herberg houden; . . . kom, we zetten thuis maar een druppeltje op" . . .

En toen kwam de verwoester, de drank!

En daar stond hij in de kelkjes, verleidelijk!

En de jongens slurpten hem op in langzame teugjes ; ten minste ze dachten dat ze hem opslurpten; maar het was eigenlijk anders: de drank slurpte hen op; — want, zie, al spoedig was het „drupje van moeder" lang niet genoeg meer, en toen werd de herberg bezocht, en daar smaakte het wel tienmaal zoo lekker, nietwaar, . . . die tapper is ook zoo'n aardige kerel! Wat een jolige dikkert! Wat zit hij vol uien! En wat kan hij op de dominé's schelden! 'tls eon pracht van een kerel, hè! dat is je wat anders dan moeder, die nu thuis zit te grienen, . . . een goeie ziel anders .. . maar 't ouwe mensen wordt wat suf. .. kom, ik geef nog een rondje, . . . een rondje op moeder, . . . hoerah! . . .

Ik hef het glas andermaal op, — en mèt dat glas toon ik u niet slechts de bron van uithuizigheid, maar bovendien de bron van achteruitgang in stoffelijk opzicht. Onder het heirleger van kwalen, die opborrelen uit den dierbaren borrel, neemt de achteruitgang, de verarming een zéér groote plaats in. Vroeger zag men dit niet algemeen in; men dacht, dat men dronk, omdat men arm was, — om zijn leed te verzetten en zijn zorgen voor een poos te ver-

Sluiten