Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Waarheen, Pelgrims, waarheen gaat gij, — 't Oog omhoog en hand in hand ?

— Wij gaan op des Konings roepstem,

— Naar ons huis en vaderland. — Over bergen en door dalen — Gaan wij naar de blijde zalen, (bis) — Van Gods huis, in 't Vaderland.

2. „Storm en duisternis bedreigt u; — Zijt daartegen gij bestand?" — Waarom zou ons harte vreezen — Wandlend aan des Heeren hand ? — Jezus zelf zal voor ons strijden. - En door storm en nacht ons leiden (bis) — Naar Gods huis in 't Vaderland 1

3. „Pelgrims, zegt ons, mogen wii ook — Met u trekken naar dat land?" — Komt, weest welkom, volgt ons allen, — 't Oog omhoog en hand aan hand. — Bij der eng'len vreugdezangen. — Zal ons jezus zelf ontvangen, (bis) — In Gods huis in 't Vaderland.

7. Daar ruischt langs de wolken een lieflijke naam, m Die hemel en aarde vereenigt te zaam, — Geen naam is er zoeter en beter voor 't hart, — Hij bal semt de wonden en heelt alle smart. — Kent gij, kent gij dien naam nog niet?

— Die naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied.

2. Dien naam is naar waarheid, mijn Jezus ook waard, — Want Hij kwam om zalig te maken op aard. m Zoo lief had

Sluiten