Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONNIGE PASCH E N

't Was heel vroeg nog, en heel stil.

Door de vochtige, gouden morgennevels heen keek de zon, slaperig nog, over de groote stad.

In de tuintjes van 't hofje achter de oude kerk speelden jolige huismusschen in de jonge zon: wipten op een vensterbank, — vijf, tien, nóg meer, — vlogen dan plotseling op met ruischend vleugelgerep, verschrikt door denkbeeldig gevaar en verborgen zich speelsch in den hoogen en dikken klimop, die tegen den ouden kerkmuur groeide; tjilpten en kwetterden in 't dichte groen van oolijke vroolijkheid. ...

Een groote poes, die dien nacht te laat was thuis gekomen, en de huisdeur gesloten gevonden had, zat te soezen op een omgekeerden emmer, onder een raam met bloempotjes; knipperde met z'n oogen en scheen zelf niet te weten, of hij 't deed tegen de zon of tegen dat speelsche musschenvolk.

Daar rinkelde een klink.... en de deur naast de bloempotjes knoerpte over den stroeven drempel langzaam open.

Sluiten